| Terug |
|
Onderstaande column,
geschreven door Martin Bril, werd geplaatst in De Volkskrant van 15-06-2005. |
|
MONUMENT De boswachter was jong en blond en heette Ronald Popken.
Eigenlijk was hij geen boswachter, maar medewerker van het Beheersteam
Natuurmonumenten Drenthe-Zuid. Hij zag er wel ontzettend uit als een boswachter:
groen uniform, bergschoenen, een grote verrekijker op de borst, de mouwen
opgestroopt. Onder het korte haar was zijn schedel rood van de zon. “Dit is de kleine zonnedauw” zei hij en hij knielde bij
een onooglijk plantje. “Het is een pionierssoort. Zonnedauw hoort helemaal bij
de heide” Hij streek met zijn grote hand even langs de minuscule takjes van de
plant. “Het
is een vleesetende plant" vervolgde hij – terwijl hij langzaam uit de
hurkstand omhoog kwam, met tegenzin leek het wel, “als er ’s ochtends dauw
op het veld ligt, blijven er heel kleine druppeltjes aan de plant hangen en daar
komen kevers en libellen op af. De kleverige blaadjes sluiten zich dan.” Met
zijn handen deed hij voor hoe dat eruit zag en hij keek vol bewondering naar het
plantje aan zijn voeten. Op de achtergrond stonden een paar Schotse Hooglanders
tot hun buik in het water van een ven. De wind waaide, hoog in de lucht hingen
grote stapelwolken. Welkom
in de Broekstreek. Waar? De
Broekstreek ligt ten noordoosten van Hoogeveen, onder Westerbork. Bij het dorp
Mantinge bevindt zich een van de eerste aankopen van Natuurmonumenten, het
Mantingerveld, al in de tijd van Jac.P.Thijsse beroemd om de wilde
jeneverbessen. Sinds een jaar of tien is Natuurmonumenten bezig de heide en
zandverstuivingen van het Mantingerveld te verbinden met andere heidevelden in
de streek, het Hullenzand, jet Lentsche Veen, het Balingerzand en het Achterste
Veld. Daartoe zijn honderden hectaren landbouwgrond opgekocht en klaargemaakt om
opnieuw natuur te worden. Op een van die nieuwe velden stonden we gisteren met
de boswachter die geen boswachter was en ‘we” was een klein gezelschap
journalisten en deskundigen, uitgenodigd door Natuurmonumenten, dat vierde dat
het hier goed ging. Ronald
Popken legde intussen uit hoe de natuur zijn werk deed – de eerste heide
groeide alweer, niet ingeplagd, maar gewoon spontaan ontkiemd, struikheide en
dopheide, te herkennen aan frisse, paarse bloemetjes. Verder groeiden in de
onmetelijke vlakte veel mossen, wilgjes, berken, paardebloemen, wolfsklauw,
biggenkruid, gras in allerlei soorten, maar over tien jaar zou het hier helemaal
paars zijn zoals de heide bij Dwingelo. Misschien dat ook de klokjesgentiaan wel
terugkeerde. De
boswachter vertelde verder over kevers. Hij begon nu langzaam maar zeker op een
verliefde boswachter te lijken. Groot en robuust als hij was, er zat enorm veel
tederheid in de man – het gutste er nu uit, maar goed, de zon scheen
natuurlijk ook. In het Hullezand, een oud heideveld, kwamen ooit 21 soorten
loopkevers voor. Drie daarvan zijn in de loop der jaren verdwenen, maar de
overige 18 zijn er nog steeds en verplaatsen zich naar de nieuwe velden. Zo niet, helaas de goudrandloopkever, een van de drie verdwenen kevers – Ronald zou er heel wat voor over hebben om die hier weer te hebben, net als trouwend de goudplevier, een vogel die hier ooit zijn broedgebied had. Hij wiste zich het zweet van zijn voorhoofd, en stak door naar adders en vlinders, waaronder het heideblauwtje, de kommavlinder, het koevinkje en het oranje zandoogje – ook daar wist hij alles van, en ook daar hield hij onbedaarlijk van. Mooi om te zien, deze medewerker van het Beheersteam Natuurmonumenten Drenthe-Zuid, een monument op zichzelf, eigenlijk, die Ronald Popken. |